donderdag 28 februari 2019



Schilderen als Holbein, maar dan anders
Sebastian Gögel is een ‘tattoo-artist’ die ook museaal werk maakt. Zijn grote frustratie is, dat men dat in de gerenommeerde kunstwereld niet altijd accepteert.

Door Margreet Hofland voor Den Haag Centraal

Galerie Hoorn & Reniers aan de Toussaintkade bestaat nog maar anderhalf jaar, desondanks exposeert er nu een kunstenaar wiens werk is opgenomen in de collecties van verschillende grote musea. Sebastian Gögel (1978) woont en werkt in Leipzig en is vanwege zijn tentoonstelling ‘Grote Straat’ even in Den Haag. “Nederland is dol op mijn werk,” zegt hij. Gögel is een flamboyante persoonlijkheid die in een mengeling van Duits en Engels, ondersteund met weidse gebaren, vertelt wat hem drijft tot het maken van zijn schilderijen en tekeningen. Beide handen zijn getatoeëerd, met rode bloemen en donkere vlakken. Zijn werk heeft vaak iets duisters. Het is aantrekkelijk maar kan tegelijkertijd ook afstoten.
Sebastian Gögel komt oorspronkelijk uit een gebied waar de Duitse, renaissanceschilders Cranach en Dürer vandaan komen. “Alles is hier streng en hard, zowel het landschap als hoe de mensen hier spreken: met harde en scherpe woorden. De oude meesters schilderden met strakke omlijningen, heel grafisch. Dat heeft invloed gehad op mijn werk. Ik ben ook een groot bewonderaar van Holbein.”
Die sterke harde belijning is terug te vinden in het werk van Gögel. Hij maakt zowel abstract als figuratief werk, maar de lijnvoering is steeds duidelijk herkenbaar als die van hem. In het abstracte werk zijn golvende bewegingen te zien, organische krullende vormen die weer terugkomen in de achtergronden van zijn figuratieve werk.

‘Overleven’
Gögel is een veelzijdig kunstenaar, hij werkt in allerlei verschillende disciplines. Het is maar net wat op dat moment zijn voorkeur heeft. Daarnaast heeft hij een tattooshop, hij noemt zichzelf een ‘Tattoo-artist’.
“Voor mij is heel belangrijk dat ik van mijn werk kan leven. Dat kunnen niet veel kunstenaars zeggen. In de kunstwereld vindt men dat je alleen maar goed bent als je kiest voor één ding. ‘Fuck you’, zeg ik dan. Ik houd mijzelf al 15 jaar in leven met alleen kunst en ik kan nog steeds overleven. Ik hoop ook dat mijn tatoeages op een gegeven moment herkend worden als die van mij.”
In het schilderij ‘Leumund’ uit 2017 komt alles bij elkaar. Het is een werk waarin twee karikaturen van mannen elkaar omhelzen. De mannen hebben een afstotelijke grijns, toch spreekt er ook liefde en humor uit het werk.
“Ik kan niet schilderen zonder euforie. Ik ben vaak ‘out of office’ Dat is mijn karakter. Er staan lege doeken in mijn atelier en ik weet nooit wat het gaat worden. Dan begin ik en de volgende dag vernietig ik het weer. Ik probeer te ontdekken wat de problemen tussen mensen zijn. Er zijn altijd twee kanten in een mens: de goede en de slechte. Ik probeer uit te vinden welke dat in mijzelf zijn. We hebben allemaal een donkere kant.”
Wegens grote belangstelling is de tentoonstelling ‘Grote Straat’ met een week verlengd.

Sebastian Gögel met ‘Grote straat’ in galerie Hoorn en Reniers, nog tot en met zondag 3 maart.  Meer informatie www.hoornreniers.com



.

Graftombe van de gewone man
Maurits van de Laar exposeert meestal tekeningen in zijn galerie, maar dit keer zijn er ook beelden, wandkleden en vazen. De tentoonstelling ‘Tomb of the Ordinary Man’ toont kunst uit het dagelijkse leven van de gewone man

Door Margreet Hofland voor Den Haag Centraal

Het gebied rond de Boekhorststraat is een levendig gebied waar zich sinds de jaren negentig, veel initiatieven aangaande hedendaagse kunst hebben ontwikkeld. De galerie van Maurits van de Laar zit in de Herderstraat. In zijn galerie zijn vaak tekeningen te zien omdat, zoals hij zegt, ‘ideeën daarin vaak het eerst vorm krijgen’. In de tentoonstelling ‘Tomb of the Ordinary Man’ zijn verschillende disciplines vertegenwoordigd. “De naam is gekozen om een vergelijking met het graf van een koning of Egyptische Farao te maken, maar dan met een knipoog. In zo’n oud graf krijg je een beeld van de samenleving uit die tijd. Deze ‘moderne grafkamer’ geeft een indruk van het dagelijkse leven van nu,” zegt Van de Laar.
Nare Eloyan bedacht het concept voor de tentoonstelling. Centraal in de eerste ruimte staat een tafel met door haar beschilderde vazen. Ze vindt ze op markten en in kringloopwinkels. Door deze alledaagse objecten te gebruiken, wil ze de grens tussen elitaire kunst en dat wat de gewone mens mooi vindt, laten vervagen. Aan de wand ernaast hangt werk van de Oostenrijker Elmar Trenkwalder: barokke keramische lijsten met daarin subtiele potloodtekeningen. Het lijkt de omgekeerde wereld, de lijsten springen meer in het oog dan de tekeningen. Trenkwalder heeft internationale bekendheid gekregen met zijn kolossale keramische sculpturen die soms dertien meter lang en zeven meter hoog zijn en uit verschillende stukken opgebouwd worden. Hij gebruikt vaak sensuele vormen, één van de lijsten in de galerie is samengesteld uit vrouwelijke borsten.
Van Christie van de Haak markeren twee lappen stof de doorgang naar de achterste ruimte. De stof is per meter te koop. Er zijn ook twee kimono’s met prints van haar schilderijen en een ingeweven bloemenpatroon.

speelgoedaapjes
De kunstenaars gebruiken verschillende nieuwe technieken. Marjolijn van der Meij zoekt afbeeldingen op internet - vaak van kitscherige porseleinen beeldjes - die ze op zijde uitprint, met stijfsel insmeert, verfrommelt en laat opdrogen. Het zijn mooie kleine objecten die goed betaalbaar zijn. De Haagse Zeger Reyers toont beelden uit de serie ‘Till Death Do Us Part’ waarvoor hij harige speelgoedaapjes in porseleinaarde doopt en daarna in de oven bakt. De oogjes zijn door de hitte weggesmolten, hier en daar zit nog een geblakerde veiligheidsspeld.
Van de Laar noemt de kunst in de tentoonstelling puur en oorspronkelijk. “Veel boeiender dan de ‘strategische kunst’, die vaak wordt gemaakt om de heersende trends te volgen. Dit is veel interessanter.” De wandtapijten van Jakup Ferri doen denken aan vrolijke kindertekeningen. Een zwembad is van boven af weergegeven. De baders liggen op handdoekjes en springen in het water. Het is een kleurrijk mozaïek, gemaakt van duizenden opgeplakte lapjes stof. “Er zitten onder andere een paar overhemden van mij in verwerkt,” zegt Van de Laar. Ander werk van Ferri is geborduurd of geweven. “Het is een beetje een omgekeerde manier van ontwikkeling geweest. Jakup was eerst videokunstenaar en is pas tijdens zijn latere studie aan de Rijksacademie in Amsterdam dit werk gaan maken. Het verwijst naar zijn jeugd in Kosovo en zijn vrije huidige positie als kunstenaar in het Westen.” Ferri woont en werkt inmiddels in Den Haag.


‘Tomb of the Ordinary Man’ in Galerie Maurits van de Laar, t/m zondag 17 maart. Meer informatie https://mauritsvandelaar.nl/expositie/



donderdag 21 februari 2019



‘Ik houd niet van beroemd zijn’
Erwin Olaf viert zijn zestigste verjaardag met een grote overzichtstentoonstelling in Den Haag. Er is goed te zien dat hij zich heeft ontwikkeld van een provocerend fotograaf tot een kunstenaar met verstild werk.

Door Margreet Hofland



Gemeentemuseum Den Haag en Fotomuseum Den Haag brengen met een dubbeltentoonstelling een eerbetoon aan fotograaf Erwin Olaf die dit jaar zestig wordt. Het is zijn grootste oeuvretentoonstelling tot nu toe.
“Ik houd niet van beroemd zijn”, zegt hij. En je gelooft hem direct. In spijkerjasje en blauw T-shirt zit hij ingeklemd tussen Benno Tempel, directeur Gemeentemuseum en Wim van Sinderen, conservator Fotomuseum. Zijn karakteristieke lichtblauwe ogen, die al vertrouwd zijn van de vele zelfportretten, staan vriendelijk. Ontwapenend en met een heel licht Amsterdams accent vertelt hij over hoe zijn loopbaan begon.
“Ik was voorbestemd om schrijvend journalist te worden maar tijdens mijn opleiding aan de School voor journalistiek kreeg ik van een docent een camera in handen gedrukt. Zo ontdekte ik mijn ware liefde.” Over het begin van zijn carrière zegt hij: “Niet iedere foto was goed, want als je het nog nooit gedaan hebt, fotografeer je behoorlijk kut.”
Zijn eerste fotoserie ‘Chessmen’ uit 1988 met het thema ‘macht’ sloeg in als een bom. De 32 zwartwit foto’s waren behoorlijk provocerend, met zichtbare geslachtsdelen, naakte kleine mensen en volle lichamen die met touwen waren ingesnoerd. Het werk deed, met modellen in leer en attributen als kettingen en bijlen, bijna middeleeuws aan. Vernieuwend was dat hij naast de prachtig geproportioneerde modellen ook kleine en dikke mensen liet poseren. Olaf ontving de Eerste Prijs voor Jonge Europese Fotografen voor de serie.
Rond 1990 maakte hij veel foto’s van het Amsterdamse nachtleven. “Ik was altijd al dol op nachtvlinders en mensen die afweken van de norm. Ik sleepte iedereen mijn studio in en ben ook erg geholpen door de nachtelijke gesprekken met Hans van Manen (choreograaf red.) die mij steeds inspireerde om door te gaan. De vraag: ‘wat is normaal’, houdt mij nog steeds bezig.” In 1995 maakte hij de serie ‘Mind of their own’ met verstandelijk gehandicapte modellen.
Het oudere werk van Olaf is te zien in het Fotomuseum, samen met een bijzondere collectie foto’s van fotografen die hem geïnspireerd hebben zoals Man Ray en Robert Mapplethorpe.

Royal blood
In 2000 maakte Erwin Olaf de serie ‘Royal blood’ waar hij voor het eerst experimenteerde met Photoshop. De foto’s zijn bijna helemaal wit met bloedrode
accenten en tonen (‘lookalikes’ van) belangrijke personen uit de geschiedenis samen met een voorwerp dat met hun gewelddadige dood te maken heeft. Julius Caesar met een mes in zijn rug, prinses Diana met de ster van een Mercedes in haar opengespleten bovenarm, Jacky Kennedy met bloedspetters op haar mooie witte hoedje. Gruwelijke maar adembenemend mooie foto’s.
In twee kabinetten van het Gemeentemuseum zijn foto’s van het Koninklijk Huis te zien die Olaf in opdracht van de Rijksvoorlichtingsdienst maakte. Op de vraag hoe het was om met het Koninklijk Huis samen te werken antwoordt hij simpelweg en heel diplomatiek met het woordje “Leuk.” En na een korte stilte: “Je moet mij als ik portretfoto’s maak, zien als een arts met een beroepsgeheim.” Om er later toch aan toe te voegen: “Het was hartstikke leuk, dat kun je ook wel zien denk ik. Ik was ‘on top of the waves’, maar ook degenen vóór de camera. Ik vind dat een kunstenaar heel goed in opdracht kan werken. Dat was dus nu het koninklijke gezin. Ik heb daarmee een ode aan de monarchie gebracht. Met name omdat ik vind dat de monarchie zo mooi de democratie kan verdedigen.”

Vlechtjes
In het Gemeentemuseum hangt het recente werk van Erwin Olaf, bestaande uit grote kleurenfoto’s en video-installaties. In zijn laatste werk zijn de theatrale, barokke ensceneringen verdwenen. Ze hebben plaats gemaakt voor breekbare sferische beelden met schilderachtig licht. Foto’s die tot in de kleinste details voorbereid zijn. Het kijken ernaar geeft hier en daar een ongemakkelijk gevoel door de onderliggende boodschap. ‘Berlin’ uit 2012 is de eerste serie uit een drieluik over steden. Een donkere reeks, onheilspellend. Een blond meisje met vlechtjes in zwarte kleding kijkt je aan met een duistere blik, een gehandschoend jongetje wijst met een veroordelend gebaar naar een donkere man in een korte broek. Hitleriaanse beelden. In ‘Shanghai’ onderzocht Olaf wat er met mensen gebeurt die in een hypermoderne metropool met 24 miljoen inwoners leven. ‘Palm Springs’ is de laatste van de serie en nu voor het eerst te zien.
“Palm Springs is een waanzinnig stadje dat zomaar in de woestijn neergekwakt is. Ik wilde iets maken vanuit een positieve energie en nu eens niet de chips etende of over Trump klagende figuren afbeelden. Ik gaf er een workshop en was onder de indruk van de diversiteit van de mensen daar. Er wordt hier goed gemixt qua seksualiteit en de liefde, dacht ik. Toen begon ik na te denken en begon het te stromen. Ik wilde die openheid combineren met de typische architectuur en het artificiële van het stadje.” Voor het eerst sinds lange tijd maakte hij weer een foto van twee mannen, ze staan met het voorhoofd tegen elkaar: ‘The Farewell’. Een teder moment, een wereld van verschil met zijn eerste foto’s waar de seks vanaf druipt.  
Plannen voor de toekomst heeft Erwin Olaf nog genoeg, ondanks zijn slechte gezondheid. In 1996 werd ontdekt dat hij leed aan longemfyseem. “Ik heb alles gedaan wat ik wilde, want ik was steeds bang dat ik opeens dood zou neervallen. Maar stoppen zal ik nooit, dat kan ik gewoon niet, ik ga door, al is het hijgend en piepend!”

‘Erwin Olaf’, Gemeentemuseum Den Haag en Fotomuseum Den Haag. T/m zondag 12 mei. Meer informatie www.gemeentemuseum.nl





vrijdag 15 februari 2019



Verwonderingen van een moderne oude meester
Het werk van Co Westerik emotioneert, verwondert en laat je glimlachen. Museum Boijmans van Beuningen brengt een hommage aan deze in 2018 overleden kunstenaar die ook in Den Haag zijn sporen achterliet.

Door Margreet Hofland voor Den Haag Centraal

Het is een vreemde gewaarwording om door het half onttakelde museum Boijmans van Beuningen te lopen. In mei gaat het museum voor zeven jaar dicht om grondig te worden verbouwd. De laatste drie tentoonstellingen zijn zojuist geopend. Eén daarvan is de overzichtstentoonstelling ‘Dagelijkse verwondering’ van de vorig jaar overleden kunstschilder Co Westerik (1924-2018).
De band met Westerik en Den Haag is altijd sterk geweest. Hij werd opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten waar hij van 1958 tot 1971 docent modeltekenen was. Met Herman BerserikJan van HeelWillem Hussem en Jaap Nanninga was hij lid van de groep Verve, een groep met vooral figuratief werkende kunstenaars. Westerik maakte realistisch werk maar hij voegde er iets wezenlijks aan toe. Zijn wonderlijke blik op ogenschijnlijk alledaagse taferelen maken het bekijken van zijn schilderijen en tekeningen tot een bijzondere ervaring. De onderwerpen zijn de mens en de natuur, maar de voorstellingen tonen ook sterke emoties zoals spanning, verbazing en vaak een flinke dosis humor. Zijn schilderijen met de typische Westerik-stijl zijn altijd en overal onmiddellijk te herkennen en hebben een grote invloed gehad op de schilders om hem heen.
Nu het werk bij elkaar hangt is goed zichtbaar hoe Westerik als een volleerde oude meester zijn verf hanteerde. Gefascineerd door de Vlaamse Primitieven en de vroege Italiaanse Renaissancekunst werkte hij met onderschilderingen in ei-tempera en daaroverheen verschillende lagen olieverf, maar met een minder glad resultaat. Zijn werk laat ontelbare verschillende kleurschakeringen zien, onder de huid van de verf lijkt het hier en daar wel te borrelen.

Touwjespringen
In de tentoonstelling wordt ook aandacht besteed aan de monumentale muurschildering ‘Touwtjespringend meisje’ die op de zijgevel van het hoofdbureau van politie in Rotterdam geschilderd werd en daar tussen 1976 en 1988 een bijzonder herkenningspunt was. De schildering werd, ondanks veel protesten, vernietigd bij de sloop van het politiebureau.
Natuurlijk ontbreekt zijn bekendste werk ‘Snijden aan gras’ niet, het is geleend van het Stedelijk museum in Amsterdam. In 1966 begon Westerik aan deze serie. Op het schilderij is extreem ingezoomd op een vinger die zich aan een grasspriet snijdt. Reproducties van ‘Snijden aan gras’ hebben een tijdlang in treinen gehangen, maar werden verwijderd nadat mensen boze brieven naar de NS stuurden, omdat ze er aanstoot aan namen. Er is in de tentoonstelling ook een ander schilderij uit de serie te zien.
Het doet bijna fysiek pijn om naar het laatste schilderij ‘Liggende man met engel’ te kijken dat Westerik vorig jaar - vlak voor zijn dood – nog afmaakte. Hij schilderde zichzelf, stervend onder een helderblauwe hemel, zijn lichaam in een deerniswekkende houding. Het achterhoofd is naar de toeschouwer gekeerd met nog net zichtbaar een kwetsbaar oor. De typisch grote Westerik-hand met dikke aderen ligt machteloos tegen het bovenbeen geleund. Een witte engel strekt vanuit een wolk zijn armen naar hem uit. Het is prachtig geschilderd met schrale verf maar rijk van kleur, zoals alleen Co Westerik dat kon.
De expositie is verder aangevuld met aquarellen, tekeningen, prenten en persoonlijke dagboeken. Deze zes journalen, waarin Westerik het ontstaan van zijn werk bijhield, zijn voor het eerst te zien in het museum en zijn vanaf 9 februari ook gepubliceerd en te koop.

Co Westerik, ‘Dagelijkse verwondering’ t/m zondag 26 mei. Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam. Meer informatie www.boijmans.nl

woensdag 13 februari 2019

Toeval bestaat niet



TOEVAL BESTAAT NIET
Door Margreet Hofland
(Gepubliceerd in kunsttijdschrift Pandora januari 2019)

Op 11 september 2006 verscheen mijn tweede roman ‘Duizend levens’, samen met de herdruk van mijn eerste boek ‘Caravaggio, het genie van Rome’. Niet toevallig, die datum. ‘Duizend levens’ was ontstaan uit een onbestemd gevoel dat mij al bezighield sinds de aanslagen op de Twin Towers in 2001. Daarna, tijdens onderzoek voor mijn volgende boek, kwam ik die datum steeds weer tegen. Ook in de zestiende eeuw in Italië. Op een gegeven moment stapelden de toevalligheden zich op en besloot ik er een roman over te schrijven. Eigenlijk kon ik niet anders.
‘Duizend levens’ is voor de lezer die open staat voor het bovennatuurlijke. Die zich kan voorstellen dat er meer is dan de alledaagse wereld om hem heen. Wie heeft zich niet ooit bezig gehouden met vragen waar geen antwoorden op zijn? Waar eindigt het heelal? Waar is de oorsprong van het leven en waar houdt het op? Het zijn vragen die de mensheid zich altijd heeft gesteld. Soms beantwoord door religies. Door blindelings te geloven in een god die oplossingen geeft. Anderen zoeken het in de esoterie. Een begrip dat wel wordt uitgelegd als: ‘Een leer die stelt dat er meer op aarde is dan we kunnen verklaren middels de bestaande natuurwetten.’

Beatrice
Toen ik onderzoek deed voor mijn roman over de Italiaanse schilder Caravaggio, las ik dat hij vermoedelijk aanwezig was bij de onthoofding van de jonge vrouw Beatrice Cenci. Hij zou het beeld van die publieke onthoofding op piazza Sant’ Angelo in Rome gebruikt hebben voor zijn schilderij van Judith en Holofernus. Judith hakt daarop, met een ferme slag van haar zwaard, het hoofd van de romp van haar belager af. Het bloed spuit als een rood fontein over de lakens.
De geschiedenis van de mooie Beatrice is een aangrijpend, waar gebeurd verhaal. Ze was jarenlang opgesloten en misbruikt door haar adellijke vader, Conte Francesco Cenci. Op een dag lukte het haar om hem samen met een knecht van het balkon te duwen. De graaf overleed. Helaas werden in het kasteel waar ze opgesloten zat, de bebloede lakens gevonden en Beatrice werd beschuldigd van moord. Dit alles vond plaats op 11 september 1598. Precies een jaar later, op 11 september 1599 werd ze onthoofd. In 2001, weer op 11 september, wist ik waar mijn volgende boek over zou gaan. Het was voor mijn gevoel allemaal té toevallig.
Ik ging graven in de geschiedenis. Het proces van Beatrice was uitvoerig opgetekend. De paus, Clemente VIII, wilde destijds een daad stellen en beval haar onthoofding. Heel Rome smeekte om gratie, maar de paus gaf niet toe. Beatrice, ze was toen 21, werd zelfs gemarteld om alle details boven water te krijgen. Bij haar terechtstelling stond de bevolking overal langs de Tiber en bij het schavot voor de gevangenis Tor di Nona (De Engelenburcht), om te zien hoe haar hoofd werd afgeslagen. Om haar hoofd had ze een witte doek gewikkeld die ze waardig droeg, als een kroon.

Cecilia
Het toeval hield daar niet op. Drie maanden na de onthoofding van Beatrice werd vlakbij in een kerk - de Santa Cecilia in Trastevere - een cederhouten kistje opgegraven. Het was een ongelofelijke vondst, in het kistje lag het lichaam van de heilige Cecilia, dat al eeuwen vermist was. Het lichaam was prima geconserveerd en volledig in tact. Om het hoofd van Cecilia was een doek gewikkeld. Cecilia was in 230 onthoofd omdat ze christen was. In haar hals waren de bijlslagen nog te zien. Het volk zag er een teken in en de paus kreeg het erg moeilijk in die dagen. De beeldhouwer Stefano Maderno maakte een prachtig marmeren beeld van Cecilia, dat in de kerk waar ze herbegraven werd, nu nog steeds te zien is. Ze is afgebeeld, precies zoals ze toen gevonden werd. Guido Reni schilderde een ontroerend mooi portretje van Beatrice. Naar men zegt, op de dag van haar onthoofding. Wat later schilderde hij ook het portret van Santa Cecilia. Allebei de jonge vrouwen dragen daarop een witte hoofddoek.
Voor mij persoonlijk gaat het verhaal nog verder. Mijn goede vriend, forensisch patholoog professor George Maat (u misschien nog bekend van de kwestie met minister van der Steur en de MH17) was op het moment dat mijn boek uitkwam, ‘toevallig’ bezig met onderzoek naar de oorspronkelijke begraafplaats van Santa Cecilia in de catacomben van Callisto. Ik wist daar op dat moment niets van. Het is dezelfde professor die mij op een gegeven moment een verhaal vertelde van een kroonluchter die neerstortte, precies op de plaats van het graf van een koninklijke schedel, waar hij onderzoek naar deed. Heiligschennis! Dat verhaal heb ik weer gebruikt in het begin van ‘Duizend levens’, waar kardinaal Emilio Sfondrati graaft naar het kistje van Cecilia.
‘Duizend levens’ is een leescircus’, schrijft mijn uitgever. Het klopt inderdaad dat er verschillende verhaallijnen zijn, maar uiteindelijk valt alles op zijn plaats. Op 11 september 2001.











woensdag 6 februari 2019




Dansende kleurvlekken en stoere motorrijders
Door Margreet Hofland voor Den Haag Centraal

Uit de nalatenschap van kunstenaar Jurjen de Haan is een tentoonstelling samengesteld. De familie wil graag dat zijn schilderijen en die van zijn eerder overleden levenspartner terechtkomen bij degenen die het op waarde weten te schatten.
Margreet Hofland

Levenspartners en kunstenaars Jurjen de Haan (1936 – 2018) en Maarten van Dreven (1941 – 2001) zijn een begrip in de Haagse kunstwereld. Vorig jaar overleed Jurjen de Haan. Door de familie is nu een selectie gemaakt uit de nalatenschap van De Haan om te worden tentoongesteld in Pulchri Studio. In de grote Mesdagzaal worden 81 werken geëxposeerd, 59 van Van Dreven en 22 van De Haan. Bij de keuze van het werk is geprobeerd de verschillende stijlperiodes van de kunstenaars te laten zien, sommige zijn wat breder vertegenwoordigd dan andere. Er zullen veel grote doeken hangen, beide kunstenaars werkten graag op groot formaat. Naast het geëxposeerde werk zijn er mappen met tekeningen, schetsen, foto’s en portretten. Het werk zal voor redelijke prijzen te koop worden aangeboden. De familie wil het dat het voor iedereen mogelijk blijft om iets aan te schaffen.
De Haan en Van Dreven vormden een kleurrijk koppel. Jarenlang gaven ze, naast hun kunstenaarschap, allebei les aan de Academie voor beeldende kunsten te Arnhem. Maarten van Dreven volgde oorspronkelijk een modeopleiding en dat was vooral in zijn vroege werk goed te zien. Zijn prachtig uitgewerkte tekeningen van sportmaskers, portretten en ondergoed maakte hij in de jaren zeventig, zijn homo-erotische, expressionistische tijd viel aan het begin van de jaren tachtig. Nog later werd zijn werk steeds losser en spontaner.
Jurjen de Haan liet zich aanvankelijk inspireren door de Cobragroep. Zijn werk was kleurig, maar meer doordacht en geordend dan dat van de Cobraschilders. Hij gold als belangrijke vertegenwoordiger van de Nieuwe Haagse School, waartoe ook generatiegenoten werden gerekend als Pat Andrea, Walter Nobbe, Aat Verhoog en Peter Blokhuis. In 2003 kocht gemeente Den Haag een werk van hem om cadeau te doen aan prins Willem-Alexander en prinses Maxima bij de geboorte van hun eerste dochter Amalia. ‘Stapeling met blauwkop’ werd omschreven als 'een opgewekt schilderij met kleurvlekken die naar boven toe stuwen'.

Fotorealistisch
Er kwam een periode dat Van Dreven en De Haan samenwerkten en dat resulteerde in fotorealistisch werk. De voorstellingen van motorrijders in veelkleurige leren pakken, helmen, motorbrillen en laarzen werden direct een succes. Ze fotografeerden de langsrijdende motorrijders vanuit de auto of gingen bij stoplichten achter hen staan om met een telelens foto’s te maken. Via het nummerbord kon het adres later achterhaald worden en de motorrijders kregen een uitnodiging voor de expositie. Maar kopen deden ze nooit, want het geld ging liever naar een nieuwe motor.
Na deze periode keerde Jurjen de Haan terug naar zijn oorspronkelijke expressieve werk. Hij schilderde dansende kleurvlekken met donkere contouren die zich over het doek leken te bewegen. Het blijft opmerkelijk dat een willekeurige verfvlek van Jurjen de Haan altijd herkenbaar bleef als een vlek van Jurjen de Haan. Soms verwerkte hij zijn gedichten in de schilderijen, met een mooie puntig handschrift.
In het jaar 2000 begon hij voor een opdrachtgever elke dag één werk te maken. Het zou de meest emotionele periode uit zijn leven worden, want in 2001 overleed Maarten van Dreven. Een gebeurtenis waar hij eigenlijk nooit overheen kwam. De laatste jaren was hij niet meer in staat om te schilderen.

‘Hommage aan twee Haagse kunstenaars’, van zondag 12 januari t/m zondag 3 februari in Pulchri Studio. Meer informatie www.pulchri.nl

  Vrij zijn door naaktheid te tonen Artikel Den Haag Centraal van 3 september 2020 Zes studenten van de afdeling Textiel & Mode van de H...