vrijdag 16 februari 2024

 Savery, een meester in het observeren

 Roelant Savery werd onder meer bekend met zijn schilderijen van de uitgestorven dodo. Met zijn bloemstillevens was hij een pionier in de Nederlandse schilderkunst.

 


 

‘Roelant Savery (1578-1639) was een alleskunner in de kunst’, schrijft Ariane van Suchtelen, conservator van het Mauritshuis. De tentoonstelling ‘Roelant Savery’s wonderlijke wereld’ toont uiteenlopende onderwerpen, soms in verschillende stijlen geschilderd. Het is iets dat opvalt tijdens het kijken naar zijn werk. De kunstenaar is een geweldige tekenaar met geheel eigen anekdotische typeringen, maar zijn werk doet hier en daar ook denken aan dat van collega-kunstenaars als Pieter Bruegel de Oude en Hieronymus Bosch. Wellicht zal het verblijf van de schilder aan het Habsburgse hof van keizer Rudolf II (1652-1712) in Praag daar invloed op hebben gehad. De keizer was een groot liefhebber van de Vlaamse kunstschilder Bruegel, dat was wellicht ook een van de redenen dat hij Savery uitnodigde om voor hem te komen werken.

 

Dodo

Savery werd middenin de Tachtigjarige Oorlog geboren in Kortrijk (West-Vlaanderen). Op de vlucht voor de Spanjaarden kwam hij met zijn familie in Haarlem terecht, drie jaar later verhuisden ze naar Amsterdam. Roelant Savery leerde het schildersvak van zijn oudere broer en werd al op jonge leeftijd in Praag ontboden. Ruim tien jaar - van 1603 tot 1613 - werkte hij in opdracht van keizer Rudolf. Ongetwijfeld zal het turbulente leven aan het hof een enorme indruk op de jonge kunstenaar hebben gemaakt. Hij ontmoette er de belangrijkste kunstenaars en wetenschappers van zijn tijd. De keizer was een verwoed verzamelaar, hij had een dierentuin met duizenden exotische dieren en volières met uitheemse vogels. In zijn rariteitenkabinet bewaarde keizer Rudolf opgezette exemplaren en fossielen. De inmiddels uitgestorven dodo uit zijn verzameling komt veelvuldig voor op de schilderijen van Savery, velen zagen de vogel zo voor de eerste keer.

 

Tuinen

Een ander specialisme van Savery was het schilderen van bloemen. In 1603, waarschijnlijk vlak voor zijn vertrek naar Praag, schilderde hij ‘Bloemstuk met twee hagedissen’, dat nu bekend staat als een van de eerste zelfstandig geschilderde bloemstillevens uit de Nederlandse kunstgeschiedenis. Pas daarna werden bloemstillevens populair. In de tuinen van keizer Rudolf vond Savery alle bloemen die hij zich kon wensen. Hij maakte een aantal schilderijen met tientallen verschillende soorten en voegde insecten en vogels toe. De bloemen zouden nooit tegelijkertijd kunnen bloeien en de dieren zouden onmogelijk met elkaar samen kunnen zijn, maar die artistieke vrijheid stond de schilder zichzelf toe.

 

Watervallen

Keizer Rudolf gaf Savery de opdracht om het landschap van Tirol vast te leggen en zo begon zijn ontdekkingsreis door de bergen. Savery trok er met zijn schetsboekje op uit om alles wat hij zag te tekenen. Hij was een meester in het observeren. Met krijt tekende hij watervallen, bomen en rotsen, om zijn schetsen later in het atelier uit te werken. Deze directe observatie van de natuur was een nieuw fenomeen in die tijd.

De schilder zette graag menselijke figuurtjes in zijn werk, ook wel om de grootsheid van de natuur te benadrukken. Hij was een van de eersten die mensen tekende zonder dat zij voor hem poseerden en gaf hen weer in hun dagelijkse bestaan. De inwoners van Praag werden buiten op straat, ongemerkt en meestal van achteren door hem getekend, om hun priemende ogen te ontwijken. In de kantlijn maakte hij aantekeningen over de kleuren van hun kleding om dat later in zijn schilderijen te verwerken.

 

Orpheus

Drie jaar na zijn terugkeer in Nederland betrok Savery een woning in Utrecht waar hij zelf een bloementuin aanlegde en waar ook collega-schilders graag kwamen tekenen. Hij legde zich toe op bloemstillevens en fantasielandschappen. Op ‘Antieke ruïnes in een gefantaseerd landschap’ zien we overblijfselen uit de oudheid, waartussen kleine figuren hun vee hoeden. In de verte glijden droomachtige schepen over het blauwe water. Ook het thema ‘Orpheus en de dieren’ komt vaak terug in zijn werk, het lijkt een excuus om zoveel mogelijk dieren samen in één schilderij bij elkaar te kunnen zetten. Op bijna al zijn dierstukken zijn paarden te vinden, vaak geïdealiseerd. Op ‘Twee paarden en twee stalknechten’ heeft het witte paard lange krullende manen tot op de grond, de raspaarden zien er elegant maar onwerkelijk uit.

De laatste jaren van zijn leven kreeg Savery als gevolg van zijn alcoholverslaving, mentale problemen. In benevelde toestand ondertekende hij valse schuldbekentenissen. In 1638 hij ging failliet en een jaar later stierf hij.

 

‘Roelant Savery’s wonderlijke wereld’ tot en met zondag 19 mei in het Mauritshuis. Meer informatie www.mauritshuis.nl

 

Er zijn meer foto’s op te vragen via pressoffice@mauritshuis.nl

 

Daden die niet kunnen worden weggepoetst

 Kunstenaars maakten een tentoonstelling in Nest die de toeschouwer uitdaagt om na te denken over kunst in de openbare ruimte. Wat als de standbeelden van omstreden figuren uit de geschiedenis zijn?

 



Met de tentoonstelling ‘Searching for Oneself Outside’ geeft een groep kunstenaars in kunstinstelling Nest een podium aan standbeelden die ooit verwijderd of nooit gemaakt zijn. Ook wordt stilgestaan bij de discussie of sommige bestaande beelden beter weggehaald kunnen worden. De openbare ruimte is van iedereen, een plek waar men zich veilig en gerespecteerd zou moeten voelen. Het is tegelijkertijd een ruimte waarin monumenten staan en straatnamen gebruikt worden die het (stads)bestuur geschikt acht. Soms roepen die keuzes heftige reacties op. Van trots tot afschuw. De kunstenaars willen ‘afwezige stemmen in de openbare ruimte gestalte geven en de aanwezige stemmen van context voorzien’.

Vernietiging van kunst is een oud verschijnsel en is ook nu nog aan de orde van de dag. In 2020 werd door de moord op de Afro-Amerikaan George Floyd een razernij ontketend waarbij standbeelden van slavenhandelaars beklad en van de sokkels getrokken werden. Ook in Nederland kwamen discussies op gang over figuren als Jan Pieterszoon Coen, Piet Hein en Witte de With in ons koloniale verleden. Na WO II werden de ‘arische’ beelden van de Nederlandse kunstenaar Arno Breker (die voor Hitler werkte) verstopt, in 2003 werd het beeld van Saddam Hoessein omver getrokken en in 2016 verwoestte de Islamitische Staat de eeuwenoude Assyrische stad Nimrud. Zo zijn er nog talloze voorbeelden en het voelt soms dubbel: moeten beelden met een kunsthistorische waarde vernietigd worden als ze schaamte oproepen of juist een tastbare herinnering blijven?

 

Context

De kunstenaars die in Nest exposeren willen dat over dit dilemma nagedacht en gesproken wordt. Jaya Pelupessy maakte sculpturen van touwen en stenen die de nadruk leggen op de verwijdering van beelden. In 1942 werd bijvoorbeeld het beeld van J.P. Coen in Jakarta weggehaald en in 1975 onderging het beeld van koningin Wilhelmina in Paramaribo hetzelfde lot. Tussen de touwen van ‘Absent Statue’, hangt geen beeld, maar door de afwezigheid daarvan is de aanwezigheid juist extra voelbaar.

Semâ Bekirović laat met twee videowerken zien hoe de standbeelden van Piet Hein, Michiel de Ruyter en J.P Coen schoon geschrobd worden. Zeepsop druipt over de beelden, maar er verandert niets. Het is onmogelijk, hun daden kunnen niet worden weggepoetst. Bekirović wil het onvermogen laten zien om omstreden beelden een nieuwe plek of een andere context te geven.

Nazif Lopulissa heeft zowel een Turkse als een Molukse achtergrond. ‘Avoid Words, Keep Busy’ heet zijn installatie. Hij weet dat zijn grootouders sinds hun komst in Nederland altijd een koffer hadden klaarstaan voor het geval ze plotseling moesten vluchten. Hij was verbaasd over het feit dat hij zo weinig te weten kwam over zijn familiegeschiedenis. Werd dat bewust verzwegen? In een kast zette hij verzamelde objecten van zijn familie en voorwerpen met een persoonlijk verhaal, als een collectief geheugen. Er ligt een kunstgebit in een asbak, maar ook staat er een aandoenlijk emaillen pannetje met roestplekken op een plank. Lopulissa maakte afdrukken van de objecten met bleekwater op doek, het kunstgebit is duidelijk te herkennen. Hij wil hiermee het uitwissen van herinneringen zichtbaar maken.

 

Activiteiten

Rond ‘Searching for Oneself Outside’ zijn allerlei activiteiten gepland. In de loop van de tentoonstelling verschijnen er op de website van Nest wekelijks interviews met teksten van denkers, kunstenaars en schrijvers, onder de rubriek Essays & nieuws. In de verschillende interviews wordt het door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen gepubliceerde adviesrapport ‘Wankele sokkels - Omstreden monumenten in de openbare ruimte’ als startpunt genomen. Ook wordt er bij de tentoonstelling een contextueel programma ontwikkeld met gesprekken, filmvertoningen, workshops en presentaties.

Overige deelnemende kunstenaars aan ‘Searching for Oneself Outside’ zijn Cihad Caner, Hans van Houwelingen, Iswanto Hartono & Mirwan Andan, Bodil Ouédraogo en Zela Odessa Palmer.

 

‘Searching for Oneself Outside’ t/m zondag 24 maart in Nest. Meer informatie info@nestruimte.nl

 

 

Vixtoria legt paradijsvogel Lola vast

 Het afstudeerproject van Vixtoria Salomonsen geeft een indruk van het kleurrijke leven van Lola, maar vertelt ook iets over de fotograaf zelf. ‘Your Eyes’ is te zien in Theater aan het Spui.



 

“Ik was net verhuisd naar Den Haag. Het was een warme nacht in augustus rond twaalf uur en ik was aan het wandelen. Ik zag een winkel waar alle lichten aan waren, de deur stond open. Ik hoorde luide techno-beats en het geluid van fluitende vogels. Nieuwsgierig keek ik naar binnen en daar stond ze: Lola.”

De inmiddels afgestudeerde kunstacademiestudent Vixtoria Salomonsen (1997, Kopenhagen) omschrijft haar eerste kennismaking met Lola van Grootel. “Ik stond voor de winkel Lola Stola in de Prins Hendrikstraat in het Zeeheldenkwartier. Lola en ik hadden een kort gesprekje door de geopende deur. Lola was omringd door een chaos van kleuren, vogels en kledingstukken. Ze stond te roken en had wilde ogen.”

Vixtoria Salomonsen was net op de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten (KABK) aangenomen. Een week na de ontmoeting kreeg hen* de opdracht ‘Breng 24 uur door met je buurman/vrouw’. Ze zocht Lola’s telefoonnummer op en belde haar. Dat resulteerde in een fotoreportage, een film, een boek en een hechte relatie die tot op heden voortduurt. In het theatercafé van Theater aan het Spui is nu een verslag in foto’s van hun vriendschap tentoongesteld . ‘Your Eyes’ is een keuze uit het afstudeerwerk van Vixtoria aan de KABK. Gedurende vier jaar mocht hen deelnemen aan het kleurrijke leven van Lola, in hun gezamenlijke reis verkenden ze vrouwelijkheid en relaties, druisten ze tegen de norm in en gingen ze op zoek naar hun identiteit.

 

Intieme inkijk


Het is even zoeken in het theatercafé naar het geëxposeerde werk, dat helemaal achterin in de ‘toneelkijkershoek’ is opgehangen. Het is een ruimte waar veel groepen en relaties van Het Nationale Theater (HNT) voor allerlei activiteiten samenkomen, maar die ook voor publiek toegankelijk is. De expositie bestaat uit vier grote foto’s en een serie kleinere, er ligt een dummy ter inzage, met foto’s en brieven die de twee aan elkaar schreven. Dat geeft een heel intieme inkijk in hun relatie.

“We hadden eindeloze gesprekken en waren heel eerlijk tegen elkaar,” vertelt Vixtoria. “De winkel Lola Stola heeft zijn eigen openingstijden, Lola werkt ’s nachts, 's ochtends slaapt ze uit. Ze is een indrukwekkende verschijning, die alle vooroordelen tart die mensen hebben over het uiterlijk van een vrouw van in de zestig. Zij is de koningin van haar rijk. Veertien kleurrijke vogels vliegen door haar winkel, een paradijs waar ze al haar schatten heeft uitgestald, zoals de kleding en de glinsterende voorwerpen die ze door de jaren heen zorgvuldig heeft verzameld. Toen we begonnen met opnames voor de film ‘My First Home’, richtte ik mijn camera op haar en zo begon ik langzaam bij haar binnen te komen. Zij fotografeerde op haar beurt mij. De beelden die we hebben gemaakt, werden op die manier een verlengstuk van onszelf.”

De foto’s laten hen zien in een interieur met tijgerprints en felgekleurde vogels die op een touwtje zitten. Ook zijn er buitenopnames gemaakt tussen bloeiende hyacinten en voor gestapelde bananendozen. De foto’s stralen vooral veel genegenheid uit, zowel die waar ze samen op staan als de beelden die ze van elkaar maakten.

 

HNT nodigt net afgestudeerde kunstenaars uit om hun werk te tonen in Theater aan het Spui. Per jaar presenteren drie kunstenaars hun tentoonstellingen. De finissage van ‘Your Eyes’ is vrijdag15 maart om 17.00 uur in Theater aan het Spui, de kunstenaar is dan zelf ook aanwezig.

 

Vixtoria Salomonson, ‘Your Eyes’ t/m zondag 18 maart in Theater aan het Spui. Openingstijden dagelijks van 9:30-18:00 en op de avonden dat er voorstellingen zijn. Meer informatie www.hnt.nl


* Vixtoria Salomonsen identificeert zichzelf als non-binair en prefereert daarom de persoonlijke voornaamwoorden hen/hun



 

donderdag 1 februari 2024

 

Tonke Dragt ontrafelt opnieuw een stukje mysterie

 Na meer dan vijftig jaar verschijnt de elfde druk van het jeugdboek ‘De torens van februari’, met in het nieuwe nawoord een belangrijke aanvulling van de schrijfster.

 

‘‘De torens van februari’ verscheen voor het eerst in 1973. Het verhaal speelt zich af in de duinen waar ik vroeger vaak kwam en die duinen zijn er nog steeds. ‘De torens van februari’ is mijn meest raadselachtige boek.’

Dat schrijft de 93-jarige Haagse schrijfster Tonke Dragt in de elfde druk van het boek ‘De torens van Februari’. Haar fans worden altijd wat onrustig als de datum 29 februari nadert, want het is niet ondenkbaar dat ze - net zoals in het boek-  zomaar zouden kunnen verdwijnen. Dit schrikkeljaar verscheen het jeugdboek opnieuw bij uitgeverij Leopold en zelfs na meer dan vijftig jaar heeft het nog niets van zijn magie verloren.

Tonke Dragt kwam in 1942 samen met haar moeder en zussen in een jappenkamp terecht, daar begon ze verhalen te schrijven op wc-papier, want er was niets anders voorhanden. Na de oorlog kwam het gezin naar Den Haag en betrok een woning op de Laan van Poot. Dragt ging naar de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en werkte daarna op een basisschool met klassen van soms wel 46 leerlingen. In een interview vertelt ze: ‘Zodra de klas leek te ontsporen, vertelde ik verhalen om hen weer rustig te krijgen en dan stopte ik op een spannend moment’. Later gaf ze les op het Gemeentelijk Lyceum Rijswijk.

In 1961 verscheen haar eerste boek: ‘Verhalen van de tweelingbroers’, het jaar daarop kwam ‘De brief voor de koning’ uit, dat in 1963 tot Kinderboek van het Jaar werd uitgeroepen. In 2008 werd het verfilmd en in 2013 verscheen het voor het eerst in het Engels. Het boek kreeg een geweldige ontvangst. ‘Brilliant, epic story,’ schreef The Times en The Daily Mail vond het ‘The new Harry Potter’. In 2020 verscheen ‘The Letter for the King’ wereldwijd als Netflix Original-serie.

Na ‘De brief van de koning’ volgden nog vele boeken.

 

Schrikkeljaar


‘De torens van februari’ is zeker geen makkelijk boek, het kost tijd en moeite om in het verhaal te komen, zelfs (of misschien juist) voor een volwassene, maar na de eerste hoofdstukken wil je alleen maar doorlezen, want het is briljant.  

Het boek is geschreven in de vorm van een dagboek. De lezer raakt al direct in verwarring als Dragt in de inleiding vermeldt hoe het ‘originele manuscript’ in haar bezit kwam en dat ze er op verzoek niets aan heeft veranderd. Overal zijn noten toegevoegd die wél van haar hand zijn.

Het is het schrikkeljaar 1964. Het verhaal begint op 30 februari, een datum die in onze wereld niet bestaat, maar wel in ‘Wereld X’. Later blijkt dat op die hypothetische dag (bij ‘ons’ is het dan 29 februari) verschillende tijdsdimensies elkaar kruisen. Het is precies het moment om in een andere parallelle wereld te kunnen stappen, mits je het geheime toegangswoord en de juiste plek weet. De veertienjarige jongen Tom Wit is het gelukt, maar de consequentie is, dat hij is vergeten waar hij vandaan komt. Hij vindt een dagboek met een paar onleesbare bladzijden tekst, pas later ontdekt hij dat het spiegelschrift is en dan begint hij er zelf ook in te schrijven. Het dagboek reist met hem mee, zodat hij de volgende keer wél weet wat hem te wachten staat. Als hij het meisje Téja ontmoet, weet hij niet meer in welke wereld hij wil blijven.

 

Slot

Wat prettig is aan het verhaal, is dat het een aanvaardbaar slot heeft en de lezer niet achterlaat met een totaal ‘open einde’, want het enige wat je tijdens het lezen wilt weten is: hoe loopt het af? Toch kom je niet exact te weten wat er gebeurd is. Bij de derde en ook nu in de elfde druk zijn in het nawoord een paar regels toegevoegd, waarin weer een tipje van de sluier wordt opgelicht. In 1986 (derde druk) schreef Tonke Dragt dat er in 1984 een gehavend stuk papier was gevonden, vermoedelijk van de hand van Tom Wit. Het boek is ingehaald door de tijd en ook in deze elfde druk blijkt dat het goed zou gaan met de hoofdpersoon, die inmiddels een man op leeftijd moet zijn.

Ik zag de torens, grote blokken... bijna lichtend tegen de sombere lucht. Ik ken die torens, ik ken ze. Maar alleen één woord kwam in me op en dat woord hoorde bij de torens: februari.’

Tonke Dragt heeft onlangs bekend dat de flats uit 1957 in Kijkduin langs de Heliotrooplaan, model stonden voor ‘De torens van februari’.  

 

Tonke Dragt, ‘De torens van februari’ (200 pagina’s). Uitgever Leopold. Hardcover, prijs 21,99.

 

Kunstzaal van Heijningen sluit definitief de deuren

 

Een ‘dialoog tussen twee kunstenaars’ is het onderwerp van de een-na-laatste tentoonstelling in Kunstzaal van Heijningen.

 


 

Kunstzaal van Heijningen aan het Noordeinde sluit na dertig jaar voorgoed zijn deuren. Eigenaar Leo van Heijningen verheugt zich op lange vakanties en ‘duizenden andere dingen doen’. De voorlaatste
tentoonstelling in de galerie bevat werk van kunstenaar Teun van Staveren en oud-conservator van Kunstmuseum Den Haag, John Sillevis. Zelf noemen ze het ‘een dialoog tussen twee kunstenaars’.

De galerie opende voor het eerst in 1994 en is inmiddels een begrip in Den Haag, niet alleen bij kunstliefhebbers, maar ook bij de kunstenaars zelf. Van Heijningen vertelt hoe het ooit begon. “Na mijn studie kunstgeschiedenis was het moeilijk om werk te vinden. Ik schreef uitgaven voor bedrijven over kunst en werkte zo nu en dan ook voor het Kunstmuseum, toen nog Gemeentemuseum, waar ik in contact kwam met John Sillevis. Als student was ik al begonnen met tekenlessen bij kunstvereniging Ars Aemula Naturae in Leiden en na mijn studie ging ik de avondopleiding aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten volgen om daar in 1985 af te studeren. In ons huis aan de Laan van Meerdervoort organiseerde ik samen met mijn vrouw Lenie regelmatig exposities met realistisch werk van Haagse kunstenaars. Het pand aan het Noordeinde was van haar, maar er zat nog een drogisterij in. In 1994 stopte deze ermee en toen was het moment gekomen om er onze eerste tentoonstelling te openen met de kunstenaars Arnold Smith, Ed Valk, Frank Letterie en Jan van Spronsen, die ik allemaal via de kunstacademie kende. Er waren toen ook al veel expats die graag Hollandse landschappen en stadsgezichten kochten van Nederlandse kunstenaars. Nu zijn kunstenaars als Loek Bos, Eppe de Haan, Titus Meeuws en Ton van Steenbergen aan de galerie verbonden. Ik heb het altijd belangrijk gevonden om een goede band met de kunstenaars te hebben.”

 

Baalbek

Teun van Staveren is sinds zijn afstuderen in de jaren 70 architect, maar hij wil daar niet op vastgepind worden. “Vroeger was het heel normaal dat je als kunstenaar in verschillende disciplines werkte,” zegt hij.

In 1987 nam hij na tien jaar ontslag bij het architectenbureau om zelfstandig verder te gaan en meer te kunnen schilderen en beeldhouwen. “In 1981 werkte ik als onderbreking een jaar als restaurateur in Rome en in 2000 besloot ik alleen nog maar als vrij kunstenaar te werken. Op een van mijn reizen kwam ik terecht in Baalbek (Libanon, red.). Dat is voor mij nog steeds een van de mooiste plekken op aarde. Ik ben er vijf keer geweest om er inspiratie op te doen voor mijn schilderijen.” Het resulteerde in een serie van 23 grote panelen met delen van Romeinse ruïnes in een opvallend perspectief geschilderd en met helderblauwe luchten. Van Staveren exposeerde er onder meer mee in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

“Maar mijn grootste passie is toch het beeldhouwen,” vult hij aan. In de tentoonstelling bij Van Heijningen wordt duidelijk dat hij gefascineerd is door het mannelijk lichaam. Er zijn veel bronzen beelden - vaak dansers - maar ook penningen en beschilderde borden. De laatste jaren werkt hij veel met giethars, dat als voordeel heeft dat het in alle kleuren verwerkt kan worden en lichter en goedkoper is dan brons. In de galerie hangt het werk ‘Foster’ aan het plafond. Het zijn twee dansers die om elkaar heen draaien, het eerste exemplaar werd al direct tijdens de opening verkocht. “Als het goed is opgehangen, lijkt het alsof ze los in de lucht zweven. Ik had een geweldig inspirerend model, die ook voor John Sillevis poseerde. Dat was een van de aanleidingen voor deze gezamenlijke tentoonstelling.”

Het laatste experiment van Van Staveren is het printen van beelden en reliëfs. Er staat werk dat nog maar één dag voor de tentoonstelling gereed kwam. “Heel spannend,” zegt hij.

 

Glas

Zo’n vijfentwintig jaar geleden begon John Sillevis naast zijn werk als hoofdconservator van het Kunstmuseum zelf te boetseren en te tekenen. Aanvankelijk om een portret van een dierbare overleden vriend te maken, maar het proces liet hem niet los. Sindsdien maakt hij penningen met portretten, meestal van vrienden, in brons en glas. Tijdens zijn reisjes naar Venetië gaat hij steevast langs bij zijn vaste glasatelier om weer met een aantal nieuwe penningen in verschillende kleuren terug te komen. Ook beschildert hij borden met portretten.

Kunstzaal van Heijningen zal na deze tentoonstelling nog tot en met vier maart open blijven met geselecteerd werk van de verschillende kunstenaars die aan de galerie verbonden waren.

 

Beelden, borden en penningen van Teun van Staveren en John Sillevis tot en met 21 zondag 21 januari in Kunstzaal van Heijningen. Meer informatie www.kunstzaalvanheijningen.nl

 

 

 

Oorlogsgeweld en straatbeelden vastgelegd door vrouwen

 Vrouwelijke fotografen werden lang genegeerd. Nu is er in het Nationaal Archief een tentoonstelling van de pioniers onder hen.

 

Het Nationaal Archief heeft zo’n vijftien miljoen foto’s in de collectie, waarvan er 200 in de tentoonstelling ‘Pioniers - Fotografie door vrouwen’ te zien zijn. Sinds de uitvinding van de fotografie in 1839 waren vrouwen actief als fotograaf, toch trokken hun foto’s minder belangstelling dan die van hun mannelijke collega’s. De originele afdrukken van foto’s van 43 vrouwen uit de hele wereld worden nu in het Nationaal Archief geëxposeerd.

Het kan bijna niet anders dan dat de tentoonstelling begint met foto’s van de Haagse Alexine Tinne (1835-1869) die in een herenhuis aan het Lange Voorhout woonde. We zien onder meer een foto van haar bediende die haar hond in bedwang houdt. Tinne ontwikkelde zich als een ware pionier, in 1862 reisde ze als eerste Westerse vrouw naar Centraal-Afrika. Daarna trok ze door de Sahara, waar ze omkwam na een aanval door Toearegs. Ze werd gedood met twee houwen van een zwaard en een geweerschot.

Gelukkig liep het niet met alle vrouwelijke pioniers slecht af. Augusta Curiel (1873-1937) runde samen met haar zus Anna een fotostudio in Paramaribo en bracht de Surinaamse cultuur in beeld, ze maakte foto’s in opdracht van het koloniale bestuur en in 1929 werd ze hofleverancier voor het Koninklijk Huis.

 

Taboe

In de jaren twintig van de vorige eeuw ontdekten vrouwen de fotografie als nieuw artistiek medium, ze fotografeerden straattaferelen en andere alledaagse onderwerpen. Germaine Krull maakte in 1930 een sfeervolle foto van een smalle steeg met wasgoed in Marseille, een mooi tijdsbeeld. Margaret Bourke-White fotografeerde voor Life Magazine en werd een van de bekendste fotojournalisten van de Verenigde Staten. Ze bracht onder meer de armoede van de crisisjaren onder de aandacht. Haar foto ‘You have seen their faces’ (1936) laat haar betrokkenheid zien bij de gebrekkige omstandigheden in Louisiana.

Na de eerste wereldoorlog nam de vraag naar foto’s toe, maar vrouwelijke fotografen bleven nog steeds in de minderheid. Eve Arnold uit de Sovjet-Unie bracht onderwerpen in beeld die tot dan toe taboe waren, zoals in 1966 foto’s van psychiatrische inrichtingen en kinderen in een crèche in Rusland. Een deel van haar reportages verscheen in Nederland in het tijdschrift Avenue.

Onderdrukte vrouwen in Afghanistan werden het onderwerp van meerdere vrouwelijke fotografen uit de zeventiger jaren, waarbij het soms lang duurde voordat de foto’s het publiek bereikten. In die jaren stak ook het feminisme haar kop op. In 1974 publiceerde Abigail Heyman (1942-2013) een foto van zichzelf terwijl ze een abortus onderging. Tussen haar gespreide benen door zien we de arts die met zijn medische schaar klaar staat om toe te slaan. ‘Nothing made me feel more like a sex object than going through an abortion alone’, schreef ze.

 

Soldaatje

Een ander heftig thema dat in de tentoonstelling wordt uitgelicht, is de oorlog. De foto’s van Christine Spengler (1945) zijn indrukwekkend en aangrijpend. Ze wilde laten zien welke mensen door het oorlogsgeweld geraakt werden. Op een van haar foto’s zien we een jongen uit Belfast, Noord-Ierland. Hij houdt iets vast dat op een wapen lijkt, richt het op de toeschouwer en lacht trots, op de achtergrond staan militairen met echte wapens. Misschien speelt hij ‘soldaatje’?

Ook zijn er foto’s van de burgeroorlog in Nicaragua (1979), de guerrillastrijd in Cambodja met een foto van een jongetje naast zijn dode vader (1975), Zuid-Vietnamese soldaten die een guerrillastrijder ondervragen (1962) en vluchtende burgers in West-Beiroet (1982). Geweld was altijd al een onderdeel van de mensheid, foto’s uit Oekraïne en de Gazastrook ontbreken nog.

De Nederlandse Emmy Andriesse (1914-1953) fotografeerde in 1944 de hongerwinter: broodmagere kinderen met een pannetje op weg naar de gaarkeuken, de voeten van een vrouw, één in een pantoffel en één in een schoen, met opgezette enkels door hongeroedeem. Na de oorlog maakte ze een serie ontroerende foto’s van straatmeisjes uit Amsterdam. ‘Andriesse had oog voor de schoonheid van het alledaagse’, vermeldt een van de bijschriften.

De tentoonstelling eindigt met straatfoto’s: glazenwassers in Manhattan, dolle meiden op Coney Island, rellen bij het huwelijk van Beatrix en Claus. Vaak zeggen beelden meer dan woorden.

 

‘Pioniers - Fotografie door vrouwen’ t/m zondag 30 juni 2024 in het Nationaal Archief. Meer informatie www.nationaalarchief.nl

 

Corneille tekende verschroeide aarde

 

In de lijstenmakerij van Rob Schippers biedt verzamelaar Ton Deurloo een aantal litho’s aan van Corneille uit een minder bekende periode.

 

\

 

Verzamelaar Ton Deurloo weet veel over kunstenaar Cornelis Guillaume van Beverloo (1922-2010), beter bekend
als Corneille. Hij verzamelde zo’n veertig litho’s uit de begintijd van de schilder en heeft nu een kleine expositie bij lijstenmaker Rob Schippers in de Kazernestraat om een aantal litho’s van de beroemde kunstenaar te verkopen uit de verzameling die hij in de loop der jaren heeft opgebouwd.

Corneille was een van de leden van de Cobra-groep. De internationale avantgarde-beweging werd in 1948 opgericht en bestond maar een paar jaar, maar markeert tot op heden een belangrijke ontwikkeling in de moderne kunst. Het uitgangspunt van de groep was dat kunst puur en spontaan moest zijn. Zij vonden inspiratie in primitieve kunst en kindertekeningen.

Het latere kleurrijke werk van Corneille, vanaf 1970, is het meest bekend bij het grote publiek, maar er was ook een periode dat hij werk maakte met onherkenbare vormen, geïnspireerd op de natuur. In 1950 verhuisde de kunstenaar naar Parijs en maakte hij een reis naar de Sahara. De woestijn maakte diepe indruk op hem. Hij maakte een reeks schilderijen en litho’s waarin de aarde werd afgebeeld als een verschroeide vlakte waar alleen enkele dieren en plantsoorten overleefden. Ook van dit vroege werk biedt Deurloo een aantal litho’s te koop aan. Van 1957 -1964 werkte Corneille voornamelijk abstract, daarna keert hij terug naar de figuratie met de vrolijke vissen en vogels.

 

Veilingen

“We kennen allemaal het kleurrijke werk van Corneille vanaf 1970 tot zijn dood, maar ik was juist gefascineerd door de periode van daarvoor, waarin hij aan het zoeken was naar zijn vormentaal,” zegt Deurloo. “Het werd voor mij een soort ontdekkingsreis. Ik kocht eerst een boek en ben toen op zoek gegaan naar waar ik dat werk kon vinden. Ik vond de prenten vooral op veilingen in Parijs en Kopenhagen. Het werd een sport om ze te pakken te krijgen.”

Van de veertig litho’s biedt hij er nu vijfentwintig te koop aan. Het werk beslaat de periode van 1950 tot 1970. Deurloo vindt het niet moeilijk om afscheid te nemen van een deel van zijn verzameling: “Een verzamelaar vindt altijd het laatste werk dat hij gekocht heeft het mooiste en dat bewaar ik. Het is leuk om nu ook anderen een plezier te doen met een deel van mijn verzameling.”

 

Waterpolo

Rob Schippers geniet er iedere keer weer van als hij een gast in zijn lijstenmakerij heeft, die iets van zijn werk of verzameling wil laten zien dat hij kan ophangen aan de lange muur. “Het is ooit begonnen als een leuke toevoeging aan de lijstenmakerij en bedoeld om meer mensen naar binnen te krijgen. Dat is goed gelukt. Op dit moment is het bijna een baan extra geworden,” zegt hij.

Hij kent Deurloo die eigenlijk architect is, uit de wereld van het waterpolo. “Deurloo heeft mij als het ware geboren zien worden, onze families waren door de sport erg betrokken met elkaar.”

Op elke litho staat aangegeven hoeveel exemplaren ervan bestaan, samen met het nummer van de afdruk. Ze zijn in Parijs gedrukt door Michel Cassé, de prijzen liggen tussen de 100 en 400 euro.

 

‘Corneille’ bij lijstenmaker Rob Schippers, Kazernestraat 114a, t/m dinsdag 1 december. Openingstijden dinsdag t/m zaterdag, 10.00- 17.00 uur. Meer informatie www.schipperslijsten.nl

 

 

Afstudeerders modeopleiding exposeren vijftig jaar na dato

 De klas van 69’ is de titel van een tentoonstelling in de Haagse Kunstkring, die laat zien dat elf studenten vijftig jaar na hun afstuderen nog steeds kunst maken.

 


 

Vijftig jaar geleden studeerden elf studenten af aan de modeafdeling van de Koninklijke Academie van Beeldende kunsten, nu exposeren zij met recent werk in de Haagse Kunstkring (HKK). ‘De klas van 69’ heet de tentoonstelling, naar het jaar van hun aanmelding voor de opleiding NXI. De


opleiding hield op te bestaan in 1978 en veranderde in de Engelstalige studie Fashion and Textile, die bekende namen leverde als Erik Frenken en Das Leben am Haberkampf.

Het is hard werken aan de huidige opleiding op de kunstacademie, waar soms minder dan de helft de eindstreep haalt. Destijds haakte bijna niemand af, maar de toelating was streng. Er waren vaak meer dan 200 gegadigden die naar de modeklas van de kunstacademie wilden, waar maar plaats was voor zo’n twintig studenten.

De opleiding voor akte NXI bestond uit het klaarstomen voor een baan in de mode, maar de studenten moesten ook hun ‘pedagogisch getuigschrift’ halen, zodat ze konden lesgeven. Dat gaf de zekerheid dat ze in elk geval een inkomen hadden. Het gevolg was wel dat de opleiding ambivalent was, met naast vakken als modeltekenen, stilleven en kunstgeschiedenis ook patroontekenen, dessinontwerpen en textielwarenkennis. Daar kwamen dan nog echte de onderwijs- gerelateerde vakken bij zoals maatschappelijk inzicht en wetgeving, didactiek en zwartbordtekenen.

 

Trends

De tentoonstelling in de HKK werd gerealiseerd door Sonja van der Burg en Rineke Kop. Alle elf exposanten zijn altijd blijven tekenen en schilderen, zeven van hen hadden daarnaast een baan in het onderwijs en één kreeg daadwerkelijk een loopbaan in de mode. De modetekeningen van Ellen Schreuders laten zien welke stijl in de tachtiger jaren populair was. Ze had een neus voor de nieuwste trends en publiceerde in het modetijdschrift ‘Lijn en Stijl in Fashion’. Voor haar trefzekere tekeningen bezocht ze de voor- en najaarsshows in Parijs. Schreuders overleed in 2017.

Bij alle deelnemers is de liefde voor het vak terug te vinden. In het werk van Van der Burg staat de mens centraal, ze geeft weer hoe de omgeving door de mens ervaren wordt en maakt met dat thema zowel schilderijen als keramiek en borduurwerk. Ze exposeert regelmatig in galeries. Rineke Kop laat zich leiden door emoties, ze noemt haar werk waarin kleuren een grote rol spelen lyrisch-abstract. Van Toby O’Meeng is een serie heel bijzondere collages te zien die zich voortzetten over de lijst. Elsbeth Gorter maakt mooie onconventionele portetten met pastelkrijt. Ursula Broug werkte bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie en hielp menig journalist aan de nodige informatie over kunstenaars. Ze volgt nog steeds schilderlessen bij kunstenaar Ab van Overdam om de oude schildertechnieken onder de knie te krijgen.

 

Discussies

Op dit moment worden veelal heftige discussies gevoerd over het feit dat op de kunstacademies niet meer wordt geleerd hoe je moet tekenen. In Elsevier Weekblad publiceerde journalist Benno de Jongh onlangs het artikel ‘De teloorgang van traditioneel kunstonderwijs’ waarin hij schrijft: ‘Het moge duidelijk zijn: het conceptualisme, de stroming waarin het idee of concept van de kunstenaar allesbepalend is, heeft het op de huidige kunstacademies gewonnen van de vaktechnische uitvoering. Er wordt niet meer geleerd om naar de werkelijkheid te kijken’. Dat was in 1969 nog niet aan de orde. Op de tentoonstelling ‘De klas van 69’ is goed te zien dat iedereen van de opleiding NXI heeft leren tekenen.

 

Overige deelnemers: Lidwien Chorus, Elsbeth van der Hoeven, Francisca Janssen, Esther Kranendonk, Simone Robbers en Sophia de Roo van Alderwerelt.

 

‘De klas van 69’ t/m zondag 24 september in de Haagse Kunstkring. Meer informatie www.haagsekunstkring.nl

 

 

Kunst uit Korea

In Zuid-Korea is het voor vrouwen nog steeds moeilijk een gerespecteerd kunstenaar te worden. Kunstinstelling West presenteert de tentoonstelling ‘Hexed, Vexed, and Sexed’ met werk van vrouwen die het wél lukte.



Acht vrouwelijke kunstenaars uit Zuid-Korea exposeren in de voormalige Amerikaanse ambassade aan het Lange Voorhout. Kunstinstelling West werkte hiervoor samen met Alternative Space Loop, een ruimte voor hedendaagse kunst in Seoul, die een keuze maakte uit hun beste vrouwelijke kunstenaars. Hun werk bestrijkt de periode na de Koreaanse oorlog, van de jaren zestig tot nu.

De tentoonstelling ‘Hexed, Vexed, and Sexed’ verwijst naar de beperkte vrijheid van vrouwen in Korea, zij zijn over het algemeen gedoemd om thuis te blijven zodra er een kind op komst is. Steeds minder vrouwen willen daarom nog kinderen en de bevolkingsgroei loopt terug. De Koreaanse cultuur is vrouwonvriendelijk, vrouwen worden geïntimideerd, ze kunnen nog steeds ongestraft begluurd en gefilmd worden in wc’s en kleedhokjes. De ‘Hex’ staat voor de onbedwingbare kracht van vrouwen, de ‘Vex’ daagt de mannelijke kijk op de zaken uit en de ‘Sex’ laat zien dat werkelijke seksuele bevrijding in Korea niet bestaat.

 

Larven

Haejung Jung maakte de installatie ‘Becoming sea squirt’, geïnspireerd op de unieke biologie van de zeeduivel. De larven daarvan hebben neus, ogen, vinnen en hersenen en verschillen niet veel van een gewervelde foetus, maar al groeiend verteert het dier zijn eigen organen, het degenereert en wordt een soort plant in de modder. Zeeduivels hebben geen geslacht en kunnen zich zowel seksueel als ongeslachtelijk voortplanten.

In een doorzichtige tent kan de bezoeker plaatsnemen op een zacht tapijt dat de kleuren en vormen van een koraalrijke zeebodem heeft. Door een virtual reality bril te op te zetten, krijgt de toeschouwer het idee dat hij in zee zwemt, zoals de larve van de zeeduivel. Zittend en staand, verandert het beeld mee.

 

Martelwerktuig

Het is heel jammer dat de installatie ‘Breaking Wheel’ van Chang Jia in West niet in werkelijkheid te zien is, maar de video die ervan gemaakt is, toont hoe fascinerend de performance er in 2014 uit moet hebben gezien. Helaas kon de installatie niet vanuit Korea naar Den Haag vervoerd worden, maar de kunstenaar is wel zelf aanwezig en door middel van een tolk maakt ze duidelijk wat haar geïnspireerd heeft. De video laat zien hoe twaalf grote wielen in een cirkel staan. Het zijn reconstructies van oude wielen van treinen en rijtuigen uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Met deze wielen verwijst Chang naar martelwerktuigen die in de middeleeuwen werden gebruikt. Ze bekleedde ze met kleurige veren en bloemen. De wielen draaien, ze worden voortbewogen door twaalf vrouwen die er hoog bovenop zitten en fietsende bewegingen maken terwijl ze zogenaamde ‘werkliederen’ neuriën. In de middeleeuwen waren deze indringende liederen als religieuze muziek in Korea verboden.

Chang heeft een enorme lijst van groeps- en solotentoonstellingen op haar naam staan. Er is wel een serie cyanotypes van haar hand in de tentoonstelling te zien. Cyanotype is een fotografisch proces waarbij - na ontwikkeling - een cyaan-blauwe afdruk ontstaat.

 

Rillingen

Op de eerste verdieping zijn schilderijen, tekeningen en video’s. Eunsae Lee is een van de bestverkopende kunstenaars van de deelnemers. Het werk van Eunsae laat de verwarring zien die haar tijdens het maken van een serie van drie schilderijen overviel. Ze schildert vrouwenlichamen en rebelleert daarmee tegen het gebruik van stereotypen. Ze heeft een fascinatie voor het vrouwenlichaam en vraagt zich steeds af of ze nu zelf óók stereotypen schildert. Dat bezorgt haar koude rillingen. In de tuin staat nog een installatie van Ye Eun Min waarvoor ze voorwerpen gebruikte die mensen op straat hebben achtergelaten. Ze stapelt ze lukraak op elkaar en brengt kleur aan.

 

‘Hexed, Vexed and Sexed’, t/m zondag 14 januari 2024 in West Den Haag. Meer informatie www.westdenhaag.nl

 

Koffie, kunst, een goed gesprek en een taartje toe

 

Bij Gallery Uitgevogeldt kun je naar kunst kijken en koffie drinken. Ermelinde Zweers creëerde een plek waar over de zin van het leven gepraat wordt.

 



 

“Ik heb een missie,” zegt Ermelinde Zweers. “Ik denk na over wat wij hier op aarde doen en ik hoop anderen te kunnen inspireren met mijn werk. Ik hoop óók dat Gallery Uitgevogeldt een plek wordt waar mensen iets aan hebben en waar ze samen kunnen komen. Mijn galerie is niet alleen bedoeld om kunst te kopen maar ook om koffie te drinken, een taartje te bestellen en intussen te praten over de zin van het leven.”

In Gallery Uitgevogeldt van Ermelinde Zweers is alleen haar eigen werk te koop, ze creëerde er een atmosfeer waar kunst goed tot zijn recht komt. In het midden van de ruimte hangt boven zachte stoelen en bankjes een grote kroonluchter. Er is een marmeren schouw met een reliëf van vogels uit Italië geïmporteerd. Overal in de galerie zijn kleine verwijzingen te vinden naar haar gevleugelde vrienden. “Vogels zijn vaak boodschappers die verhalen vertellen. Omdat ik met mijn werk ook altijd verhalen vertel, vond ik het leuk om hen met subtiele verwijzingen steeds in deze ruimte terug te laten komen. Mijn inspiratiebron is de natuur. Je ziet hier dus ook veel hout en veel groen.”

 

Sterrenkundige

Zweers schildert nog niet zo lang, ze was tien jaar werkzaam in het onderwijs. Ze ging reizen en bleef hangen in Bergamo (Italië) waar ze samen met ouders van kinderen een montessorischool opzette. “Toen werd ik verliefd op een Nederlander en wilde ik met hem mee terug naar Nederland. Dat was eerst moeilijk, maar het zorgde ook voor een volgende stap in mijn leven. Onderwijs is mijn passie, ik houd van kinderen, van leren en van groeien. Mijn vriend is sterrenkundige en zo ontstond het idee om volwassenen met de kosmos te verbinden. Na een korte tijd les gegeven te hebben op Montessorischool Waalsdorp ben ik in april met deze galerie gestart.”

Samen met haar vriend heeft ze de ruimte aan de Prinsestraat - waar eerder een shoarmatent in zat - omgebouwd tot een kleine oase. De plek mag voor een deel ook gebruikt worden voor horeca en achterin zit een kleine keuken. “Over alles wordt nagedacht. We hebben bijvoorbeeld iemand die een zeer kunstzinnige ‘Latte Art’ maakt, we proberen om de kunst overal in terug te laten komen.”

 

Magie

“Schoonheid wordt in onze wereld behoorlijk kapot gemaakt, dat probeer ik tegen te gaan door zelf iets moois neer te zetten,” vervolgt Zweers. “Deze galerie is een plek waar mensen dingen kunnen ‘uitvogelen’ voor zichzelf en met elkaar en waar je óók kunst kunt kopen. Ik hoop dat we over de hele wereld bekend worden en dat Uitgevogeldt een begrip wordt. De naam staat voor dingen samen uitvogelen, in de breedste zin van het woord, want kunst is meer dan een schilderij, het is ook muziek. Er staat daarom ook een mooie oude piano, muziek verbindt. Muzikanten kunnen hier kleine concertjes geven. Zo wil ik de magie van het leven ontdekken en er met iedereen over praten.”

Op de website van Zweers worden verschillende thema’s uitgediept en kunnen haar schilderijen of afdrukken besteld worden. Er zijn originele schilderijen te koop, maar om het betaalbaar te maken zijn er ook prints op groot formaat. De schilderijen van Zweers zijn kleurig, vaak met golvende vormen, er zit altijd een verhaal in. “Het is aan iedereen vrij wat hij in mijn werk ziet, ik wil het niet te veel sturen, mijn kunst is emotioneel, omdat eigenlijk alles om je heen emotioneel en in beweging is. Het hele universum is opgebouwd uit energie die beweegt.”

 

Ermelinde Zweers, Gallery Uitgevogeldt. Openingstijden donderdag t/m zaterdag van 10.00 – 16.00 uur. Zondag op afspraak. Meer informatie www.uitgevogeldt.com

 

Tewaterlating van zelfvoorzienende ark

Architect Hans Kuiper ontwierp een jacht met als zeil een opklapbare vliegtuigvleugel die ook dienst doet als zonnepaneel.


De tewaterlating van de Autark-Zero in Oppenhuizen (Friesland) is een evenement waar een groep architecten uit Den Haag en uit de rest van Nederland massaal op afgekomen is. Het elektrische motorzeiljacht in de vorm van een catamaran met een lengte van twaalf en een breedte van vier meter, is een ontwerp van architect Hans Kuiper (1951), oprichter van architectenbureau KOW. Den Haag kent Kuiper wellicht ook nog van de periode dat hij hoofd Stedenbouw van gemeente Den Haag was (2009 -2010). Hij kocht een oude stolpboerderij in Oppenhuizen waar hij nu met vrouw en kinderen woont. Op zijn land staat een grote loods, waarin Kuiper zijn droom verwezenlijkte: hij bouwde er eigenhandig een ark.

De naam Autark verwijst naar de ark van Noach, volgens de bijbel het vaartuig waarmee Noach, zijn gezin en twee exemplaren van alle dieren op aarde de zondvloed overleefden. In een brede sloot naast de boerderij dobbert nu een futuristisch ogende catamaran met een dak in de vorm van een vleugel, daarachter ontvouwt zich de horizon met silhouetten van het polderachtige landschap, afstekend tegen de ondergaande zon. Op het zeiljacht staat een spot gericht, het vleugelzeil vouwt zich zacht snorrend uit en richt zich op, het lijkt alsof het schip zo uit het water zal opstijgen.

 

Vleugelzeil

In 2016 begon Kuiper aan de bouw van zijn zeiljacht, een schip met een constructie en technologie die nog niet bestonden. Vanaf 2018 werd hij bijgestaan door René Mullié, die ervaring heeft met techniek en elektronica. “Het jacht is compleet zelfvoorzienend, er zijn zelfs twee kleine kassen waarin voedsel kan worden gekweekt,” aldus Kuiper. “Er is geen vervuilende uitstoot en er is gezorgd voor opvang en filtratie van regenwater.”

Het meest spectaculair is het ‘vleugelzeil’ dat plat op het cockpitdak ligt, uitgevouwen en rechtop gezet kan worden en dienst doet als zeil en zonnepaneel. Het is gemaakt op de manier en met de technologie van de vleugel van een vliegtuig.

Kuiper’s ontwerp is gepatenteerd en er worden op dit moment plannen gesmeed om op deze manier vrachtschepen te bouwen die op zonne-energie over alle oceanen van de wereld kunnen varen.

 

‘Autark’ van Hans Kuiper. Meer informatie www.greenmarineconcepts.com

 

 

Foto’s Arthur van Dijk

 

 

 

 

 



 Poseren voor een paar centen

 Het verschil tussen arbeiderskinderen en kinderen van stand in de 19e eeuw wordt in de tentoonstelling ‘Kinderen van de Haagse School’ pijnlijk duidelijk.

 

De tentoonstelling ‘Kinderen van de Haagse School – Spelen, werken, overleven’ in Museum Panorama Mesdag speelt in op het sentiment van de toeschouwers en dat is niet zo gek. Aan het einde van de 19e eeuw, de periode van de schilders van de Haagse School, werden schilderijen met kinderen erop vaker en voor meer geld verkocht dan ander werk. En zeg nu zelf: wie raakt niet vertederd door de portretten van jongens en meisjes met blozende wangen die meehelpen op het land of in de fabriek? De werkelijkheid erachter was vaak keihard, de kinderen maakten soms werkdagen van 16 uur, op blote voeten en in te dunne kleren. In die tijd was de kindersterfte sowieso hoog door ziektes, vaccinaties bestonden nog niet.

Ondanks het ‘Kinderwetje van Van Houten’ (1874), een wet tegen kinderarbeid, moesten boerenkinderen nog steeds meewerken op het land, handhaving van de wet was er niet. Meisjes uit arbeidersgezinnen moesten vanaf hun zesde jaar leren breien en verstellen, jongens draaiden sigaren op de fabriek of gingen mee naar zee. Heel kleine kinderen werden op sleeptouw genomen om aanmaakhout te sprokkelen. In steenfabriek Ruimzicht aan de Voortse Rijn, in 1885 geschilderd door Anthon van Rappard, werkten elf jaar na het Kinderwetje nog voor de helft kinderen.

 

Bootje

In de tentoonstelling worden de verschillen goed zichtbaar. De Haagse Schoolschilders beeldden hun eigen kinderen af in mooie jurkjes en met kostbaar houten speelgoed of muziek makend en flink opgedoft, voor hun andere schilderijen gebruikten ze modellen die ze een paar centen gaven voor het poseren. In navolging van de Franse schilder Jean-François Millet (1814-1875) werd het landleven geromantiseerd. De schilderijen tonen jongens met schapen en koeien of meisjes met schattige witte mutsjes op die kleren verstellen. De schilders waren op zoek naar het pure onbedorven leven, maar bouwden in hun atelier liever een interieur van een boerenwoning na dan dat ze zelf in zo’n armoedig huisje moesten gaan zitten.

  De pijnlijke vingers door het eindeloos kousen en ondergoed breien, zoals op ‘De Breischool te Huizen’ (Wally Moes), zijn niet te zien. Jongens gingen als ze negen waren met de haringvloot mee en kwamen, net als hun vaders, vaak niet terug omdat het schip was vergaan. Dat geeft het schilderij van Jozef Israëls ‘Twee visserskinderen op het strand’ een extra lading. De kinderen spelen met een zelfgemaakt bootje, het lijkt alsof de jongen tegen zijn zusje zegt: voorzichtig, laat het scheepje niet omslaan!

 

Krukken

De kunstenaars van de Haagse School kozen regelmatig de als ‘puur’ beschouwde leefomstandigheden van hun modellen tot onderwerp. Het ging hen om het pittoreske, het schilderachtige, al had een enkeling ook sociaalbewogen overwegingen. Met de schrijnende omstandigheden van deze kinderen bespeelden zij de emoties van hun kopers. Schrijver Frederik van Eeden woonde in de buurt van de schilderskolonie in Laren, hij schreef dat de boeren snel hun smerigste kleren aantrokken als de schilders eraan kwamen.

Floris Arntzenius schilderde in 1890 ‘Het Lucifermeisje’, ze staat op krukken tegen een muur geleund in de Passage van Den Haag. Het onbehagen van het gehandicapte kind is duidelijk te zien. Geen vlek op haar schort is overgeslagen. Arntzenius liet weten dat hij niet zozeer de erbarmelijke omstandigheden wilde weergeven, maar op zoek was naar ‘karakteristieke koppen’.

 

Sinaasappelschillen

Een van de grootste en in het oog springende schilderijen op de tentoonstelling is het werk van Wally Moes: ‘Schaftuurtje’ uit 1885. Twee heel jonge mandenvlechters genieten van hun rustpauze. Hun kleding met vlekken en scheuren en de vuile voeten zijn gedetailleerd weergegeven. Op de voorgrond liggen sinaasappelschillen, een ongekend luxeproduct dat de jongens waarschijnlijk nooit in werkelijkheid gezien hebben. De sfeer van het werk doet denken aan het latere ‘Huilende zigeunerjongetje’ waarvan er duizenden reproducties op de markt kwamen.

Het schilderijtje ‘De kennismaking’ van Matthijs Maris uit 1866 is een meesterwerk van minimale afmeting (15 x 20 cm). Een peuter houdt een geitje een boterbloem voor. De vormen zijn hoe klein dan ook, toch monumentaal, geschilderd met dikke verfstreken en weinig details. Het tafereeltje baadt in een stralend zomerlicht.

Opvallend is het schilderij dat Hendrik Willem Mesdag maakte van zijn vrouw Sientje en hun zoon Klaasje. Het is een gedetailleerd interieurstuk, op zijn zachtst gezegd wat onhandig geschilderd, het laat nog niets zien van het gemak waarmee hij later zijn indrukwekkende zeestukken op groot formaat schilderde. Het schilderij zal voor het gezin Mesdag betekenisvol zijn geweest, Klaasje overleed toen hij zeven jaar oud was.

 

‘Kinderen van de Haagse School – Spelen, werken, overleven’ t/m maandag 20 mei in Museum Panorama Mesdag. Meer informatie  www.panorama-mesdag.nl

  Savery, een meester in het observeren   Roelant Savery werd onder meer bekend met zijn schilderijen van de uitgestorven dodo. Met zijn b...